Blog

Tegeltjesverdriet

Er hing zo’n tegeltje aan de muur, tegenover de voordeur.
Bruin, met daarop de woorden ‘Nooit meer oorlog’.
Maar waarom hing dat daar?

Zou de oorlog wegblijven als iedereen zo’n tegeltje aan de muur had?

Voor wie hing het daar?

Voor als er soldaten binnenkomen? Ze zouden in ieder geval duidelijk zien: hier geen oorlog.
Of voor de kinderen? Zodat die elke dag weer weten: dát in ieder geval nooit meer. En zich afvragen wat dat nou eigenlijk is: oorlog.
Of voor bezoek, zoals wij? Dan is het meteen duidelijk: geen oorlog meer voor deze mensen!

Vandaag moet het huis leeg want het leven daarbinnen is op.
Snel wordt uitgezocht wat bewaard moet blijven.
‘Wil iemand dat tegeltje nog?’
‘Welk tegeltje?’
‘Nou dat van ‘Nooit meer oorlog’, hier in de hal?’
‘Dat lelijke bruine ding?’

(augustus 2014, © Helene F. van Vlissingen / Lena Landauer)

Gelezen bij DICHTWERK / Nieuwe Erven, 20 november 2017

WELKOM DAN, WELKOM IN MIJN NACHTEN

Ik wil mij best voorstellen, al weet ik niet hoe.
Ik weet van nachten, van hun onrust, hun voortjagende gedachten.
En zelfs hun rust ken ik, de verbindende harteklop met de dagen.
De gegunde rust, de zachte kussen van vliedende dromen die nooit meer bovenkomen,
maar ongeweten een omarming bieden aan de dag.

Dat gezegd; beter en duidelijker weet ik mij thuis bij de afgronden,
de onverhoedse besluiten, de gestaltes die we aannemen bij gebrek aan tegenspraak.
De naakte woede, onze koningin van de nacht, het wraakorgel en het geluid van de
knerpend opdrukkende zorgen hopend op het ochtendlicht, ze zijn mij bekend, overbekend.
Ook ik verlang dan naar verlossing, naar daden die deze gedaanten kunnen doen verbleken,
kunnen wissen als ware zij een onbestaan.
Ja, ik zeg maar, het is de taal van de nacht.

Hoe zal ik mij noemen?
Ik hoor het geluid van ongekoesterd verlangen, van de uren waar de slaap zich slecht laat mengen met de hunkering naar geborgenheid.
Ik hoor ook de vele dissonanten van slechtbegrepen eigenheid, van het teveel aan eigenschappen, van misverstane talenten en
wanen van te groot of te klein zijn in het licht van de dag.

Mijn vriendschappen krijgen gestalte in de schemeringen, voor en na de nacht. Of de dag, zo je wilt.
De kleine kleuren vol detail, het moment van niet meer, of nu nog even niet.

Ik hoor, maar ben geen luisterend oor.
Ik luister wel, maar anders.
Niet tot gerief van degeen die zich laat horen.
Dat kan ik helemaal niet, al zou ik het willen, al zou ik het weten,
bevatten kan ik niets.
Maar toch ben ik geen illusie, dat had u dan weer gedroomd.

Ik ben wel degelijk daar.
Ik hoor niet alleen, ik zie ook, al is juist dat niet uit te leggen bij het uitblijven van licht.
De nacht zelf ben ik ook niet, die komt en gaat langs vaste banen. Daar heb ik niets in te vertellen, helemaal geen invloed op.

Een geest zou je me kunnen noemen.
Maar een geest zwerft met motief. Ik heb geen motief, ik ben er slechts.
Ik waak, al heb ik nooit slaap en ben ik zeker nooit moe.
Wat mij beweegt u welkom te heten, weet ik eigenlijk niet.
Een werkelijke ontmoeting lijkt mij uitgesloten en mijn wereld kan nooit de uwe zijn,
al kennen we elkaar nog zo goed.

Misschien dat enkele van mijn verhalen u verder brengen.
En uw luisterend gemoed daardoor ook mij.

Vooralsnog zal ik u begroeten als het ‘geheugen van de nacht’ 

(september 2016, © Helene F. van Vlissingen / Lena Landauer)