Een beestje met een naampje

Napraten in Flehite

Het optreden was van een mooi en geduldig karakter. Het zaalgesprek was de moeite waard en de muziek kwam de beide heren uit het hart. Alleen de plaatjes die ik voor dit optreden tekende bleven buiten beeld doordat bij de beamer de juiste aansluiting ontbrak. Maar het mocht de pret niet drukken. En daarna vierden we thuis nog eens alles na: normaler kon de feestelijkheid niet worden. Een etentje op maandag voor mij en mijn zoon. Bijpraten. En even langs bij de ontvangst in ons stamcafé ter gelegenheid van een inzamelingsactie met medisch doel. Uiterst gezellig, dit korte treffen.

Diezelfde maandag kreeg ik een uitnodiging om mijn programma te houden op 4 mei. Het ging om een middelbare school in Brabant. Drie keer achter elkaar zou ik dat dan doen voor scholieren die mijn optreden hadden gekozen uit het beschikbare workshoppakket voor die dag. Ik was erg blij verrast en ging te paard om een en ander te organiseren.

Alles duidde op het begin van een nieuwe periode. De olifant roerde zich zachtjes in de kamer, maar ja, het is het gênant je al te angstig te tonen. Ik had de afgelopen week gehoopt dat de maatregelen ter isolatie in een aantal gemeenten in Italië de verspreiding ervan flink zouden beteugelen. Dat het een voetnoot in het nieuws zou blijken te worden. Ik wist me gerustgesteld dat er niemand op ons feestje net uit Italië terug was gekomen, terug van de wintersport.

Het wiebelen tussen weten, verteld krijgen en de gevoelens die er opgeroepen werden, was begonnen. In Gorkum werd een ziekenhuis gesloten vanwege het virus. Het aantal besmettingen was daar ineens hoog opgelopen. Logisch, want in het zuiden dat zojuist een stevige week carnaval in niet aflatende beukende wind achter de kiezen had.

Mijn opmerkingen over naderende risico’s werden welwillend en hummend begroet en afgedaan door Ef, die enkel de zonzijde ziet en daar heel bedreven in is. Meestal ten goede en dat wetende, leunde ik zachtjes op de steun die me dat bood, maar besloot wel het verloop van berichten nu goed in de gaten te houden.

Het beestje bleek een naampje te hebben. Ik registreerde die voor het eerst bewust. Corona. ‘Zullen de Mexicanen leuk vinden’, grapten we, ‘Durft niemand dat bier nog te drinken.’ Middenin die week overleed in Nederland de eerste patiënt aan het virus in de geruststellende leeftijd van 86 jaar. Als met een flinke griepgolf, zo werd alom verteld, ging dit virus voornamelijk echt oude mensen opruimen. Een normaal verschijnsel bij ouderen die bij ziekte al gauw een longontsteking opliepen en daar aan bezweken.

Ik herinnerde me dat ik zelf heel ziek geweest was in het begin van 2017. Nachten rechtop zittend kort wegzakkend zat ik op de bank te slapen tot het langzamerhand overging. De tol aan doden was iets van 6500. Terwijl ik dat opzocht kwam ik ook die van de griepgolf in het jaar daarna tegen. Maar liefst bijna 9500 doden, zo werd geschat. Vooral ouderen werden het slachtoffer. Dit soort getallen zijn gebruikelijk.

Ik mocht wel heel blij zijn dat Ef door zijn pensionering niet meer die wekelijkse contacten heeft met leerlingen die alle potentiële besmettingen meebrengen uit het hele land, en zelf uit België, zoals al die jaren ervoor. Net als mijn vader was, is hij een tomeloos plots, uiterst heftige, niezer. Zelfs prees hij zich dat hij bij een opkomende niesbui in auto zijn ogen toch open en op de weg wist te houden. Goed voor hem, maar thuis was ik de ondankbare ontvanger van wat er in de lucht werd geblazen. Hygiëne was wel een puntje tussen ons; hij zag de noodzaak niet zo in. ‘Doe ik toch niet expres!’, zo luidde zijn verweer. Ik heb er vast en zeker meer weerstand door gekregen. Maar ik twijfel diep aan mijn weerbaarheid vandaag de dag sinds ik de afgelopen uiterst droge voorjaren worstel met een gemene allergie voor boompollen.

Wij verkasten naar ons huisoppasadres. Gelukkig niet echt ver weg. Helaas moest ik op de tweede dag alweer terug om het concept voor de subsidieaanvraag met mijn cultuurclubje te bespreken. Iemand die me zou helpen met aanvullingen en commentaren bleek het geheel te hebben herschreven. Met opgetrokken wenkbrauwen en een vermoedelijk weinig vrolijk gezicht volgde ik hoe het besproken werd. Wat ik zei, werd als verdediging gezien. Door de verse auteur werd ik ruw behandeld. Ik voelde me uitgewoond en mijn plezier om hier deel van uit te maken kromp tot de grootte van een erwt. Het bleef eindeloos regenen.

Op zaterdag bleek het weer zich wat te willen gedragen voor ons doel: lekker erop uit en ontspannen. We namen de fiets naar het nabijgelegen dorp. We wandelden van terras naar terras voor de pret en voor de oefening waarbij Ef zijn actieradius te voet zou gaan vergroten. Zelden hoorden we om ons heen zoveel totaal overbodige gesprekken die zeker ook voor de bühne werden gevoerd. Wij vielen bijna van onze stoelen van verbazing over zoveel intens beleden onbenul. Af en toe leek het zelfs of gesprekken tussen compleet verschillende mensen naadloos in elkaar overvloeiden. Vele vlijvrouwtjes en luxeveulens beklaagden zich over niks en vaak over anderen. Kortom, dit was een verwendorp. Ter aanvulling van ons uitje gingen we nog even naar het lokale filmhuis en troffen daar een heel ander publiek. De film zelf was een fantastische verademing: Herman Finkers wist de dialogen van korte Twentse mededelingen tot ongekende hoogte op te stuwen in zijn film De beentjes van Sint Hildegard. Een prachtige en ook diepzinnige komedie over de wijze waarop mensen binnen hun onderlinge afhankelijkheden opereren, allemaal met hun eigen gelijk. Helemaal bij, kwamen wij blij uit de bios. Ik heb wel in de rijen gestaan met een dubbele sjaal over het gezicht getrokken. Ik vond het gedwongen samendrommen ineens toch erg onprettig.

Verder lezen kan hier.