Een ongelogen proloogje

Oud(er) worden

Een lieve vriend van mij die zelf de 94 jaar haalde en onlangs overleed, zei bij herhaling: oud worden is zo ingewikkeld en niemand die je daar op voorbereidt. Ik dacht aan mijn eigen gevoelens hierover, want ik hoor zeker bij de gevorderden.  Ouder worden gaat geleidelijk, maar ineens betrap je jezelf op gekke gedachten. Bij de aanschaf van een nieuwe wasmachine: zou dit de laatste keer zijn dat ik dit koop? En ook in mijn omgeving zijn er veel meer mensen oud geworden, soms zo oud dat ik iedere keer denk: zou het de laatste keer zijn dat we elkaar zagen? En hoe moet het dan met het missen? Accepteren is niet genoeg. Steeds duidelijker klinken de woorden die mijn vader koos voor zijn overlijdensbericht: Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij. van J.C. Bloem. Met het bijbehorend knersend kraken van de pijnlijke waarheid.

Natuurlijk zullen dagen zich weer vullen met nieuwe momenten van vriendschap en leuke ervaringen, maar zij lopen op eigen benen, vervangen niets meer. Het is zoals Bloem in hetzelfde gedicht schreef: In het verleden is de tijd niet meer. Ook in de laatste nummers van Leonard Cohen en Bob Dylan is deze melancholie prangend verwoord. En klinkt in Bach natuurlijk, altijd in Bach. Het verleden kiest domicilie in je eigen hoofd, verder is het een groot verdampen van opwinding, verwachtingen en prestaties

De eerste keer dat ik me ‘te oud’ voelde was de dag dat onze koning geboren werd. Op twaalfjarige leeftijd werd ik werd uit mijn jeugdige droom gerukt door het besef dat ik te oud was om ooit met hem te kunnen trouwen. Waarom ik het dacht? Geen idee. Wel behoorde het tot de waarheden die je zomaar tot je komen. Een andere meldde zich enige jaren later: ook te oud om ooit balletdanser te kunnen worden. Klassiek dan, veel dansen gaat een leven mee. Klassiek niet. In omgekeerde vorm was het denken over voorgoed voorbij aan de orde bij het hebben van een kinderwens. Al jong besloot ik er niet nog een te krijgen. Op mijn veertigste ging er definitief een knoop in. Verschoond te zijn van de kans op, dat was nog eens vrijheid!

Dieper in gedachten wordt me duidelijk dat ik nu vaak op zoek wil naar ‘de oude, vertrouwde zelf’. Kan ik nog wat ik eerder met gemak deed? Grote karweien, lange projecten, grote reizen? Voelt het dan nog of het vanzelf gaat? Heb ik er nog evenveel plezier in om die karren te trekken? Hoe ging dat ook weer? Waarom denk ik daarover na?

Ja, waarom? Er is nog zoveel, ook als het niet zomaar gaat. Maar toch. Er is een kennelijke overgang van veelbelovend naar minder belovend. Hoewel het eerste ook precies zegt wat het is. Veelbelovend zegt niets over het resultaat, maar dat terzijde.

Vaak probeer ik toe te werken naar het herstellen van de vertrouwde gedaante, van jaren en jaren. Maar de techniek die ik toen ontwikkelde om mij los te rukken uit moeilijker momenten blijkt niet meer bruikbaar.

Het vertrouwen waarop de heerlijke onbekommerdheid zich veilig mag wanen heeft hoe dan ook, aan kracht verloren. Ik moet mij aanpassen, maar hoe ik dat nu moet doen, daarvan heb ik geen flauw benul. Is ook niet makkelijk, hoor ik regelmatig van mensen die mij voorgingen in dit proces. De meest in het oog springende opgave is om je wereld herkenbaar te houden voor jezelf. Dit vraagt om onverwachte aanpassingen. Wanneer ik energie heb, weet ik van tevoren niet zeker. Door die grilligheid weet ik nooit wat ik van de dag mag verwachten.

Bij mij loopt de emotionele reactie voor op de fysieke aftakeling. Het is nog best te behappen om verder te leven met meer rimpels, slapper vel, strammere vingers en minder haar, maar wel wil ik mijn levenskracht blijven voelen. Die heb ik echt nodig om mijn bestaan te durven genieten, zelfs nu mij onverbloemd duidelijk wordt dat er een einde in de maak is. De grilligheid van mijn kracht en energie geeft me een oplopende vervreemding waaraan ik iedere dag weer probeer te wennen, zonder dat het lukt. Ook vind ik het moeilijk te aanvaarden dat er geen herstel is; het ouder worden gaat gewoon door.

Wat wel heel dichtbij komt, is iets dat ik mij ooit als kind overkwam.  Ik dacht plotseling: ik ben hier. De gedachte landde uit het niets. Ik weet nog hoe ik dat, en alleen dat, dacht terwijl ik over straat liep. Verder woei een grote, diepe, prettige stilte met lange halen door mijn hoofd.

Ik was stil gaan staan en keek om mij heen en zag hoe alles was: alle kleuren op scherp, het licht en de schaduwen. Hoe lang het duurde weet ik niet, vast niet minder dan twintig seconden en ook niet langer dan tien minuten. De tijd bleef staan. Ik zal zo’n vijf of zes jaar oud geweest zijn.

Ik was ongeveer dertig, toen ik me dit moment voor het eerst herinnerde. De intervallen waarin die herinnering zich sindsdien weer meldt, zijn in de loop van de jaren korter geworden. Als ik me goed voel, meldt die herinnering zich bijna iedere dag.

Ik merk dat het mijn innerlijk baken is geworden om vaste grond te kunnen voelen. Ik hoop het nog heel vaak te voelen en vooral dat het nog bruikbaar blijkt wanneer het einde heel dicht is genaderd.

Lees hier verder.