In liefde telt geen tijd

Het leek er leeg, het grote gebouw dat een schemerige stilte binnen de muren bewaarde. Maar dat was schijn. Ik was er met een missie die mij niet geheel duidelijk was. Tot mijn verrassing kwam hij daar ineens naar mij toe. ‘Lang geleden!’ ‘Is dat zo?’ ‘Ik moet hier naar mijn moeder. Het haar even naar de zin maken. Dan zie ik je daarna toch?’ ‘Ja, ik wacht wel’, zei ik en keek hoe hij door een van de grote deuren verdween.

Wat deed ik hier eigenlijk, zo vroeg ik mij af. Aan de andere kant van de hal zag ik een zoekende vrouwengestalte. Oud en vol twijfel. Ze leek ergens naar op zoek. Ik liep haar tegemoet en hield haar overeind. Zo liepen we tot bij een grote langzaam voortbewegende draaideur met zacht vegende zwartharige borstels eronder. Ik hielp haar door de voortbewegende opening. Aan de andere kant liep ze nu verder. Ze had haar richting weer gevonden. Ik keek rond en dacht: misschien is mijn moeder ook hier. Maar ik wist het niet. Meerdere gestalten schuifelden in het rond, af en toe pront voorbij gestapt door mensen met een doel en een taak.

Ik liep terug naar de ronddraaiende deur. Daar aangekomen voelde ik zijn zware regenjas tegen me aanduwen. We liepen mee door de opening. Even twijfelend stapte ik als eerste naar buiten. Hij volgde en sloeg een arm om me heen, zijn gezicht zacht tegen mijn hoofd drukkend. ‘Ik ook’, zei ik. Ineens wist ik weer waar ik voor kwam. Het was iets simpels. ‘Ik moet nog even wat halen’, voegde ik eraan toe en nam snelle stappen naar de andere kant van het gebouw.

Ik kwam terug in de hal en zag hem niet. Zijn zachte omhelzing was nog steeds voelbaar. Ik had nog een afspraak, nu vanmiddag. Ik moest met de bus. Ik liep de onbekende buitenweg langs en verbaasde me over de uitzichten en de kleur van het waterige licht. De bushalte zag ik niet. Ik voelde me verdwaald, maar werd er niet ongerust van. Een auto drukte me hard rijdend bijna in de berm. Ik keek achterom en volgde de weg die kant op. Daar was een klein pleintje met bushaltes. Dat ik dat niet gezien had zojuist, was me een raadsel. Ik zocht op de borden naar de naam van de halte die ik moest hebben. Ik wist die niet meer precies. En ook niet welke lijn ik moest hebben.

Met een welbekende bocht in de fietsremweg stond hij ineens naast me. Een blik vol zachtheid zoals ik nooit eerder gezien had, rustte op mijn gezicht en hij zei: ‘Zo, hier is de Wandelende Jood! Zomaar weggegaan zonder afscheid’. Ik keek hem aan zonder me schuldig te voelen. Hij boog zich voorover en we kusten elkaar. Een tedere kus, zonder braafheid. Deze aanraking was alles wat ik nog voelde.

‘Gaan we deze zomer samen naar Italië?’, vroeg hij. In lichte verbazing zei ik: ‘Ja, natuurlijk’. ‘Ik zing daar ieder jaar in een gelegenheidskoor’, zei hij. ‘Ja, goed! Fijn!’, antwoordde ik. ‘Het is volgende week al’. Ik hoorde stemmen van vrouwen en kinderen wat verderop en moest even nadenken of dat wel kon, volgende week al. Ik werd wakker en zat op de rand van mijn bed. De stemmen hoorde ik op straat. Ik voelde de omarming nog steeds.

Ik heb me eindelijk verenigd met een vriend waar ik zoveel van hield en die er allang niet meer is. De liefde die er zeker tussen ons was, raakte nooit uitgesproken. De vriendschap was allang verwaterd. Maar het was niet de eerste droom die ik had van een ontmoeting met hem. Dat gebeurde zo nu en dan in de jaren sinds ik hem leerde kennen. Ik heb vaak het gevoel gekregen dat hij dat wist, dat hij die dromen ook kende. We hebben het er nooit over gehad.

Al is deze ervaring een brouwsel van mijn diepere brein, de troostende magie doet zijn werk. De onuitgesproken vraag is beantwoord en het voelt of ik een deel van mijzelf terug heb gekregen. Een onvervreemdbaar cadeau.

Op mijn dringend verzoek las Ef, mijn geliefde man en eerste lezer, dit stukje meteen na het schrijven ervan. Ontroerd kwam hij terug naar beneden en omarmde mij stevig met sterke armen.

‘Kan je hiermee leven?’, vroeg ik. ‘O ja’, zei hij. Toen kwamen de tranen over dit na-ijlend afscheid, losgewoeld door de droom.

Klik hier voor het vervolg.