Onzichtbaar omhelsd

Het zicht op de dagen werd niet meer dan een floers bij het horen van de woorden. Soms, gelukkig soms, maar net vaak genoeg om het moment te herkennen, komt er nieuws dat alle dagen en uren aantast. Kwam het helemaal onverwacht? Niet werkelijk. Maar laat het gezegd zijn, zelfs verwacht nieuws is een gemarkeerde overgang van de tijd ervoor en die erna. En daar verdampte mijn evenwicht.

Concentreren op de gewoonste dingen, het kostte alle inspanning. Als losse brokjes zweefden alle dagelijkse bezigheden door mijn hoofd. Ze speelden een grimmig ‘Als je kan, pak me dan’. Ik griste en graaide naar wat ik nodig had. Alle gedachten die mij eerder bezig hielden streden een luide strijd om voorrang. Ik probeerde de knop op gewoon te zetten, maar hoe harder ik het probeerde, hoe minder ik overhield. Ik kneep in een berg fijn zand.

Ik durfde niet meer te gaan liggen. Proberen te gaan slapen in het donker was een illusie. Alles wat juist kleiner moest worden totdat het verdween, zou alleen nog zwellen en hoekiger worden. Ik zat wakker aan mijn keukentafel, mijn vaste stek om te denken, te voelen, ergens te zijn. Ik besloot maar zoveel mogelijk op te schrijven aan gedachten, voordat die zouden verdwijnen in een slecht smakende soep waarin het slecht vissen is naar wat nog goed gebleven was. Mijn schrijfsels lieten de uitkloktijd van vijf uur in de morgen zien. Ik sliep daarna diep en werd zelfs later wakker dan normaal; de ochtend was al grotendeels om. Een beetje verkreukeld keek ik de koude wereld in.

Alles was er nog. En zo normaal dat het bijna danste voor mijn ogen. Alles langzaam doen. Een minimum aan plannen. Proberen te begrijpen wat er echt toe doet. Geduld en steeds een dingetje uitvoeren. De pijnlijkheden sorteren van klein naar groot. Wat antwoorden bij elkaar hengelen. Doen wat ik bedacht had te doen. Niet teveel, precies genoeg. En zowaar, over de dagen heen kwamen de proporties weer herkenbaar terug. Ook routines landden tussen de zeezieke momenten. In mijn werkkamer stond ik stil zonder aanleiding. Middenin de kamer. Ik staarde door de blinde muren en voelde dat ik er weer was. Een gewoonheid klopte zachtjes aan en ging zitten waar het in mij hoort.

Nu, weer dagen later, sta ik bij mijn keukentafel en staar naar buiten. Zie hoe het tomeloos regent. Het raakt niet echt. Ik hoef niet naar buiten en dat is fijn. Op z’n moekes zet ik mijn handen achterop mijn heupen en wrijf stevig. Een flits van verbondenheid met een dierbare stroomt als behaaglijk warm water door mijn lijf. Ik voel met wie ik ben. Wie mij zo dierbaar zijn dat ze naast mij zouden kunnen staan.

Eerst een paar en dan blijven ze maar komen. Ik loop vol van warmte. Het zijn de mensen die van mij houden, zo voel ik. Die er wel zijn en die er niet meer zijn, allemaal. Ik test even hoe het werkt door aan mensen te denken van wie ik zelf veel hield, maar met wie het contact is geëindigd. Er was wel veel te voelen, maar die warmte kwam er niet. Die ontstond pas als de wederkerigheid er was. En verdomd, zo heb ik een heel onverwachte ervaring beet die het adagium van een heel dierbare verdient: ‘Het is niet wat het is, het is hoe het voelt!’

Om verder te lezen, klik hier.