Proloog Schaduwmoeders

Edith
april 2010

De dreun van de aanslag beheerste het hele leven. Al een week. Overal. Op straat, thuis, op tv. Met een politieonderzoek dat een groeiend aantal raadsels opwierp. Met vragen om interviews; iedereen had er iets van nodig. Alsof de media hun hoofden op een lans wilden prikken om ze triomfantelijk door beeld te kunnen dragen.
De telefoontjes bleven in een naargeestige golf van rillingen, piepjes en belachelijke muziekjes op alle toestellen binnenkomen.
Zonder dat iemand het merkte, was ze vertrokken, het huis uit.

Het uitzicht van de studentenkamer treiterde haar met een onaangedane alledaagsheid. Een grauwe, lusteloze wereld van gewoonheid en nattigheid. Mensen bewogen zich werktuiglijk naar hun dagelijkse beslommeringen.
Ze draaide zich met een ruk bij het raam vandaan en ging op haar bed zitten. Eenmaal terug op deze kamer, bleek de vlucht uit huis niets anders dan een nekslag met een ijskoude, kletsnatte handdoek. Er bestond helemaal geen vroeger meer om op te steunen. Uit de toekomst was alle lucht weggezogen.

In gedachten zocht ze Rubens gezicht. Ze wilde zijn kinderstem in haar hoofd horen, maar er kwam niets. Zelfs in haar herinnering wilde hij niet voortleven.
Eigen schuld. Had ze zich maar meer van hem moeten aantrekken. Had ze hem maar beter moeten willen kennen, meer dingen met hem moeten doen. Alleen tijdens vakanties had ze zich laten zien en, heel af en toe, in het weekend. Ruben was meer een broertje dan een eigen kind. Haar moederschap, een uitgestelde zaak. Iets voor later, voor ooit.

Een wringend verdriet zocht zich hard en puntig een weg in haar maag.
Iedere beweging voelde als een vergissing.
Ze probeerde zich een voorstelling te maken van de gevoelens die haar moeder moest hebben. Die kende het jongetje ten voeten uit in al zijn gedragingen, humeuren en grappigheden. Het was haar moeder die hem dagelijks zou missen, niet zij.

Oma brulde het uit. Dag na dag. Scheldend en tierend. Vanmorgen was haar moeder terug gaan schreeuwen. Een onstuitbaar doorrollen van de explosie, hun machteloos duet, had het hele huis gevuld. Zijzelf niet meer dan een toevallige toeschouwer.

Ruw verzette ze haar gedachten en probeerde een verklaring te vinden voor de absurde feiten die de politie had vastgesteld. Hoe was het in vredesnaam mogelijk dat er DNA van zowel vader als zoon, haar zoon, op de plaats van de aanslag was gevonden? Hij had toch helemaal niet van zijn kind geweten? Het was hem juist nooit verteld. Nu bleek ook hij omgekomen in de school, net als zijn kind. Het raadsel ging haar ver te boven.

Edith wiegde zich in haar eigen omarming, haar neus op haar handen.
Stilletjes meldde zich een gevoel dat ze niet durfde hebben. Een gevoel van opluchting, de gedachte dat er iets was afgerond. Verward keek ze op.