Van halfvol naar een bodempje

Na een glorieuze zomerdag die we uitbundig vierden met een jeugdvriendin bij een lunch op een ruim terras, werd ik de volgende dag wakker met heel onrustige gevoelens. En dat terwijl we juist zo blij waren met de gesprekken, de uitzichten, het gevoel van vrijheid. Wist ik me nu ook beroofd van mijn oude normaal door er zomaar in en dan er weer uit te stappen? Werd mijn wereld daardoor ineens voelbaar kleiner? Te klein?

Na enig druilen en lichaamsoefeningen die ochtend besloten we, ondanks de zekere kans op wat regen, toch maar even buiten de benen te gaan strekken. Eerst de auto nog gevuld met een paar grote, vergane houtplaten reden we naar een van de populairste bestemmingen in dit tijdperk: het stort.

Terwijl Ef bedreven over het terrein hobbelde, keek ik hoe de mensen zich bevrijdden van wat ze niet langer wilden hebben. Ernstige dadendrang sprak uit de blikken terwijl ze zware stukken over de rand van hoge containers gooiden, om vervolgens net op tijd te zien dat deze even hard terugsprongen om met een doffe plof bij hun voeten te landen. Net of er pesterige types in die containers verschanst zaten die je zo verplichtten om je zware troep toch over het trapje naast de container te torsen. Dit tafereel speelt zich gelijktijdig bij beide houtcontainers af. Voor Ef verliep alles toch makkelijk en snel waren we weer op weg.

Het miezerde, maar dat leek ons juist verfrissend. We reden door naar een sfeervol stukje bos en begonnen aan ons wandelingetje. De vochtgevulde lucht gaf alles een sprookjesachtig aanzien. Gaandeweg ging de miezer over in regen en we besloten te schuilen onder een afdakje van een informatiebord. De zware druppels spatten hoog op van het asfaltweggetje. Op het bord stond een lang verhaal over de wenselijkheid van een natuurbegraafplaats op deze plek. Heel regelmatig reden auto’s langs, de banden stevig slissend in de nattigheid, de eenzame bestuurders schuilend achter hun beslagen ramen. Wat moesten al die mensen daar toch, op dat kleine weggetje?

Toen we zeker wisten dat de regen iets minder hard neerplensde, zetten we er de pas in om een kwartiertje later doorweekt de auto te bereiken. Toch had het uitstapje een vakantiegevoel gegeven, met als uiterst plezierige afloop dat we gewoon naar huis konden en niet een hele avond in de vochtige tent moesten doorbrengen. Een veel geciteerd voetballer had ons al eens een iconisch gezegde geschonken om deze vorm van geluk te beschrijven: ieder nadeel heb z’n voordeel.

De volgende morgen bleek het spook van onlust niet verdreven. Iets trok aan mij, klaar om me weg te spoelen in een stroom van ongelukkigheid. Met een kop vol onaffe gedachten zat ik als een zoutpilaar te staren naar een lange reeks afleveringen van een flauwe Amerikaanse kookwedstrijd uit een tijd dat het eten van vlees nog bon ton was. Het gaf een beetje afleiding van de chaos in mijn hoofd, maar bood geen enkele aanleiding om tot iets te komen. Het voelde of ik niet langer in mijn vel paste en er binnenkort uit zou barsten. Ergens in mij botste oud, verstard verdriet omhangen met slierten bezorgde gevoelens, zinloos rond.

Zelfverwijten begonnen binnen te spoelen over alles dat ik nog wilde doen, maar nu niet deed. Het werd tijd om tegen de stroom in te roeien. Inmiddels had ik me verplaatst van de tv naar een laptop en speelde Sudoku om het brein aan te moedigen weer gewoon met mij om te gaan. Of misschien toch als excuus om nergens mee te hoeven beginnen? Wie zal het zeggen?

Ik maakte mij op om echt te gaan roeien met als devies: doe iets en vergeet niet daar blij mee te zijn. Zo lukte het wel eerder om een diep ongenoegen te overwinnen.

Met een donkergrijs gevoel begon ik een beetje te functioneren en tot mijn grote geluk bleek ik wel weer in staat hierover woorden op papier te krijgen. Een ander devies moest ik nu wel goed moet omarmen: niet teveel tegelijk willen of doen. Beetje opbouwen en pleziermomentjes de kans geven. En uitrusten, want steeds wakker na een uurtje of drie geslapen te hebben. Te moe levert zeker meer ellende op. Met Tai Chi en mijn mini hometrainertje bracht ik de beweging verder op gang. En nee, nu geen nieuw zelfverwijt voelen over de tegenzin die ik steeds heb bij het beginnen met die oefeningen. Blij zijn, blij zijn, doe dan!!! Oef…

Schrijven helpt dit keer tegen het opdoemende gevoel van eenzaamheid. Van het weerloos ronddobberen. En ik mocht me wel even op de vingers tikken. Die eenzaamheid? Ben ik dat wel echt? Hoe dan?

Ik was plotseling gevangen geraakt in de stilte. De stilte van mensen van wie ik niet veel hoor op dit moment, of die langzaam reageren, want waarschijnlijk te veel andere dingen. Ik was gevangen in een angstige stilte over verlies van contact. Stiekem was ik mijn geduld kwijt en durfde toch niet te zeuren. Nu stuurde ik wat gezellige mailtjes en zowaar, een kleine douche aan blije reacties was mijn deel. En wat afspraken, die ook.

Gedichtje teruggevonden:

Om verder te lezen klik hier.