Van mieren, muizen en mensen

De deuren stonden wekenlang almaar open, want warm weer. De blik vanuit mijnooghoeken had een hernieuwde alertheid gekregen. Het was begonnen met het betrappen van de verkenners die op onderzoek waren naar nog onbekende voedselgronden voor hun mierenkolonie. Hevig boenen, kitten en het uitstrooien van flinke hoeveelheden kaneel in de potentiële looppaden brachten de invasie in de keuken voor dit jaar tot stilstand.
Toen ik op een avond een kleine beweging op het aanrecht ontwaarde, ontdekte ik een trillend bruin bolletje dat mij met grote ogen aankeek om in te schatten hoe te verdwijnen. Ik keek met even grote ogen waar de ontsnappingsroute heen zou leiden. Weer boenen, luchtgaten afsluiten en sprayen met een pepermuntolie-oplossing leek afdoende. Opnieuw was er een muis binnen gekomen, maar het was niet dezelfde.
Ef construeerde een hoge schuif in de deuropening, zodat we de deur open konden laten. Want ja, dat voelt als definitief binnen als dat niet meer kan. Dagenlang bleef het stil. Tot ik ’s avonds laat vanuit mijn linkeroog een kleine beweging ontwaarde. Ook Ef zag het nog. Het zelf zien helpt hem geloven dat het een feit is en dat is mooi, want het scheelt mij hem te moeten overtuigen.
Zo keken we samen hoe het kleine bruine bolletje bang maar heel dapper, pijlsnel in een rechte lijn over de keukenvloer vluchtte naar dat moeilijke hoekje. Ef verzon een manier om schot te voorzien van een onneembare rand. Ik werkte de hele benedenruimte dagelijks door met de spray van pepermuntolie. Na een aantal dagen zag ik hem weer, maar nu in de tuin. Binnen geen sporen, dus het was gelukt: de muis had zijn huis weer in de tuin. Zoals de meeste winters het geval is.

De natuur is vaak prachtig, maar iedere soort die er leeft kan zich ontwikkelen tot een nauwelijks af te wenden plaag. Daar geen last van willen krijgen is ook een heel natuurlijk verschijnsel.
De paleontoloog John de Vos wrijft me in De Volkskrant de nutteloosheid van het bestaan van de menselijke soort nog eens met vaste overtuiging in. Het lijkt erg in de lucht te zitten, deze beschouwingen in de media over het nut van de mensheid. Juist toen ik de laatste dagen weer eens grondig aan het nadenken ging over wat onze ziel behelst en wat dat te zeggen kan hebben over ons bestaan.
We hopen en zoeken wat af als mensheid om ons bestaan te verklaren en te zoeken naar de zin van het leven. Zelf constateerde ik toen ik nog heel jong was dat die zoektocht binnen mijn leven geen bruikbare antwoorden zou opleveren. Het bestaan kon ik ook zo wel voelen en vond dat er veel meer zaken waren waar met meer succes aan gewerkt kon worden. Nog denk ik dat het heel goed mogelijk is dat al dat leven een bijkomend effect is dat ontstond in het tumult van wervelende gassen die vervaarlijk rondschieten en draaien in de kosmos. En dat het heelal volslagen onverschillig blijft voor dit bijproduct. Mogelijk leven elders blijft een uiterst griezelige ontdekking, als het er van komt.
Maar blijft het feit dat wij als mensheid een enorm deel van onze energie besteden aan de rechtvaardiging van ons bestaan. Daar ergens huist onze ziel.

Waar zit die van mij? Waar voel ik mijn ziel? Wat is eigenlijk het vreemde effect dat ik mijn gevoel van bestaan ook losgekoppeld kan beleven van mijn lichamelijke behuizing? Er zijn beslist veel dieren die een herinnering vormen van verdwenen soortgenoten, van de dood en het verlies. Maar het kost me veel moeite om me voor te stellen dat ook zij een beleving van zichzelf zouden hebben die het lichamelijke overstijgt. To be or not to be, dat lijkt me de reikwijdte van het bewustzijn van een zelf. Maar mensen zijn anders. In veel talen bestaat de uitdrukken ‘het leven verliezen’. Dat heeft me altijd verbaasd. Want je moet bestaan om iets te kunnen verliezen. En als je iets verliest, dan blijft er nog iets over. Zo niet, dan blijft het bij to be or not to be.
Maar die notie dat er iets van ons over zou blijven na onze dood, voedt alle verhalen over een leven na daarna, in hemels of door incarnatie. En vooral dat wij die vervolglevens moeten verdienen. Het gaat om sturende gevoelens waarmee wij ons bestaan vormgeven. Ergens tussen intelligentie, gevoel en scheppend vermogen, daar huist misschien de ziel van een mens. En het vermogen dit tot een beleefbare herinnering te maken die opnieuw gevoelens oproepen. Die binnenwereld heb ik ook. Dat is dan vermoedelijk de plek waar de ziel huist.
Ons gevoel is een moeizame plek. Het onmisbare begeleidend verstand lijkt chronisch onvolgroeid.

Als biologisch product, gericht op voortbestaan, neigt onze soort in alle opzichten naar overdrijving en superlatieven. Want hunkeren we niet zozeer naar voedsel, als wel naar lekker eten? Hetzelfde geldt voor onderdak; we doen er alles aan om comfort te bereiken. En voor de aankleding van huis en persoon zoeken we niet alleen naar bescherming tegen de elementen, maar willen we dat alles er echt mooi en stijlvol uitziet.
John de Vos duidde dat onze ontwikkeling tot een ongebreidelde soort begon met de landbouw en een niet aflatende drift alles op de wereld naar onze hand te zetten. Het noodzakelijke groepsgevoel en altruïsme is uiterst minimaal vertegenwoordigd in onze genen. Om ons menslievend genoeg te gedragen, moeten we worden aangemoedigd door wat religies, moraal en het welbegrepen eigenbelang ons daarover duidelijk maken. Een landschap van straf en beloning helpt om een beetje prettig onderweg te blijven. Maar vanzelf komt het niet zo gauw. We hebben slechts één Nobelprijs voor de vrede en vele voor de wetenschappen.

Wil ikzelf dan in een tochtig hutje? Nou ook niet echt… Ik hoor er helemaal bij, wat dat betreft. Rest nog dat het veel beter en effectiever kan met het gebruik en de inrichting van onze wereld dan wat er nu overal gebeurt. Dat zou mooi passen bij de veranderzucht die de mensen ook in het bloed zit. Maar ja, aan weerstand en gemakzucht is helaas geen gebrek. En aan het bepalen van een richting wel.

Om verder te lezen, klik hier.