Vergezichten en schurende aanpassingen

Niet voor de frisse neus, maar wel om de blik te verzetten op standje ver weg kijken, namen we op deze ruw waaiige laatste zondag van maart de auto en reden een rondje door de omgeving. Het was heerlijk om dat weer eens te doen. Ons huis heeft heel veel te bieden, maar geen uitzicht. Wel keek ik ’s nachts vanuit de tuin de afgelopen tijd meerdere keren naar de lucht, me verbazend over de vele sterren die er te zien waren. Een echte vakantiehemel.

Ef ontvangt via zijn telefoon berichten van de buren in de straat. Die hebben zich in een groep verenigd. Dat is vaak leuk, omdat ons geringe uitzicht weinig blik biedt op deze straat, inmiddels omgedoopt tot ‘liefste straat van Nederland’. In een poging ons wat socialer te verhouden lieten we ons uitnodigen voor de vrijdagmiddagborrel in de straat. Het idee was dat je dan met je glaasje in de hand zou komen langslopen om op gepaste afstand het weekend toe te proosten en een beetje te babbelen. Er stond een stevige bries. We praatten met wat buiten hangende buren, maar ik voelde me in lichte staat van paniek toen ik zag dat er geen moeite gedaan werd om besmetting via de wind te voorkomen. Mensen snappen niet zo goed wat dat is, besmetting tegen gaan. En dat niet alleen hoesten of niezen allerlei onzichtbaars de lucht instuurt, maar ook hard praten en lachen dat doen.

Nu zat ik met het vervelende gevoel dat Ef, die enige tijd vasthoudend aan de klets was geweest, iets zou hebben opgelopen. Hij had mijn beleefde gebaren met de aanwijzing om haaks op de wind te gaan staan, op dat moment helemaal niet begrepen. Ik snapte zijn enthousiasme over het contact zo goed, en ook zijn behoefte om regelmatig in modus van kletsje en drankje te kunnen staan. Maar de ervaring liet me niet los. Ik zon op aanscherping van onze onderlinge afspraak over hoe wel en niet te doen in gezelschap. Ik vermoedde dat Ef ook enigermate in tweestrijd leefde tussen gewoon een beetje voorzichtig zijn, maar je niet laten kennen en het door mij dringend bepleitte gedrag om de kansen op aantasting op vrijwel nul te brengen. Ik besloot dat alle inspanningen alleen zin zouden hebben als we ons hardop zouden belijden dat we bij de risicogroep horen. Of dat nou echt zo is of niet, de uitkomst wilde ik niet bewezen krijgen.

De vrucht van mijn benauwende gedachten was het inzetten van een stevige discipline bij het naar buiten gaan. Ef ging verder de boodschappen doen, met de auto. En dat twee keer per week, op maandag en donderdag en dan alleen ’s ochtends vroeg, want dat zijn de meest virus-ontzwangerde momenten op straat en in winkels. Ik moest hem wel aanzetten om hier vroeg voor op te staan. Niet leuk voor hem, want hij slaapt zo graag nog eens diep in de morgens. Hij snapte het gelukkig en wilde zijn wekker hiervoor echt wel zetten. Hij was ook niet bang en wilde er graag af en toe uit.

De eerste keer dat we mijn protocol zouden inzetten gaf de nodige hectiek. Hij ging met handschoenen aan, zijn bril op en een sjaal zoveel mogelijk over mond en neus. Thuisgekomen, stond ik bij de voordeur op hem te wachten om te zien of het goed zou gaan. Zijn handen grondig reinigen en direct daarna onder de douche, zo hadden we dat afgesproken. ‘Maar ik heb toch steeds mijn handschoenen aan!’, betoogde Ef. ‘Ook die moeten met die ontsmettingsalcohol behandeld. En dan moet je ze dus van buiten vastpakken. Dus moeten je handen ook. Én je bril!’ Ik ontving een getergde blik, maar hield vol.

Hij deed wat ik vroeg en stond vervolgens op het punt de tassen te grijpen om, zoals gewoonlijk, meteen aan het opruimen te gaan. ‘Nee, nee’, riep ik uit, ‘Laat staan. Ik maak ze eerst schoon!’ Zijn blik stond nu op bijna-woede, maar hij hield zich in en verdween met gelaten schouders op weg naar de badkamer. Ik voelde me zo’n juffrouw die nooit iets echt waardeerde, omdat ze alles beter weet.

Aan het ontbijt kon ik niet laten om nog even verder te gaan met mijn verhaal. Ik werd daarbij geholpen door de plaatsvervangende woede waarmee hij vertelde over allerlei loslopende kinderen in de supermarkt die uit verveling gillend door de winkel renden en spullen uit schappen haalden. ‘Ja, zie je nu dat je nooit weet wat er met de spullen is gebeurd voordat jij ze meeneemt? Iemand hoeft maar zijn eerste nies of hoestbui te hebben en jij hebt het gezellig bij je.’

Ik begon de grenzen van mijn gelijk wel echt te bereiken, maar wist niet van ophouden. ‘En dan nog wat: draagt dat personeel nu eigenlijk handschoentjes bij het werk in de winkel?’ ‘Bij de supermarkt wel.’ ‘En nemen ze nog contant geld aan?’ ‘Ja, dat gebeurt zeker.’ Dan moet je dat geld ook niet meer uit je zakken halen, daarna. Pas de volgende keer als je boodschappen doet. Zit er nog geld in je broekzak?’ Enzovoort. We stonden allebei op uitputting. Heel hoog tijd om te kalmeren.

Ik kan niet anders dan ons prijzen. We zijn een goed stel. We verschillen enorm van elkaar, maar kunnen elkaar wel aanvullen. Ik probeerde me hier heel gelukkig over te voelen. Ik zei hem dat ik zo blij was dat hij dit op zich wilde nemen. Hij vond het geen probleem en spoedde zich naar zijn schuur.

Ik hoopte voor dit voorjaar op een beetje regenachtig weer met westenwinden. Dan zou de allergie in ieder geval niet echt worden beproefd. Tot dusver leek de kruidenmedicatie die ik preventief gebruik, wel aardig te werken. Maar toch voelde het als oneerlijk dat hij nu voor al die dingen moest zorgen. En daarbij ook heel ongezellig.

Ik was terugverhuisd naar ons gewone bed, maar slaap was iets geworden dat alleen al bij de gedachte eraan domweg op de vlucht sloeg, hoe moe ik ook was. Een overbekende reactie op spanningen. Met daarop een ketting van klachten over een vastlopende stoelgang, hoofdpijn en ongelukkigheid.

Ik moest nu echt voor mijn conditie gaan zorgen. Ik moest weerbaarder worden. Ik zette mij aan het oefenen. Beetje Tai Chi en spieroefeningen op mijn mini-trainertje. Dat was de enige weg uit mijn vastdraailus. Ik nam mij voor om toch echt wat te gaan doen met al die gewonnen tijd. Ik besloot in een werkkamersessie te overzien welke dingen binnen bereik zouden liggen. Die broek die ik maakte en die zo lekker warm zit, die moest nu eindelijk maar eens van een nieuwe band worden voorzien. Ik verdween naar boven om een lijstje maken van mijn ideeën en karweitjes.

Om verder te lezen, klik hier.